|
Maximale citroenfactor bij zwartgeel, zin of onzin? (Deel 2).
Zwartgeel jong.
2. Kleurbeïnvloedbare factoren:
De intensief-, schimmelfactor
Een intensieve kanarie is per definitie een vogel met een grote
kleurintensiteit en een passende, vrij korte en goed gesloten
bevedering. Daar groene wedstrijdvogels hier meestal intensieve types
zijn en schimmels veel minder aan bod komen, gaan we ons verder
beperken tot eerst genoemde.
Wanneer kunnen we spreken van een optimale intensiviteit? Moeilijk om
daar achter te komen lijkt dat niet, eerder veel moeilijker om te
verwezenlijken.
Daartoe twee hoofdvereisten: eerstens de kleur die egaal zuiver
dubbelgeel (goudgeel) moet zijn ZONDER ook maar enige vorm van schimmel
(meligheid). Dewelke zich vnl. eerst uit in en rond de nekstreek. En
dan is er nog vereiste twee: heel close met de eerste verbonden, de
juiste bevederingslengte, zeker even voornaam want één lukt niet zonder
twee en omgekeerd. D.w.z., niet te kort omdat dan de gele tint wel eens
te warm kan oplopen, maar ook niet te lang want dat leidt
ontegensprekelijk tot schimmelsporen en ongepigmenteerde bleke
veertoppen.
Zwartgeelschimmel. De klassieke blauwfactor:
Komen we nu echt tot de “clou” van de zaak, nl. die eigenschap of
factor waar het er bij de vogels behorende tot de zwartreeks
voornamelijk om te doen is, de klassieke blauwfactor, citroenfactor of
ook kortweg blauwstructuur. Vroeger dacht men dat deze een gevolg was
van een mutatie in de bevederingsstructuur . Een stelling die
ondertussen is herzien, omdat men er achter is gekomen dat wilde
kanaries reeds van oudsher over een “middelmatige” blauwstructuur
beschikten, die dan eerst later door selectieve kweek is ontwikkeld tot
waarden gaande van omzeggens nul zoals we die nu kunnen zien bij onze
beste bruine schimmelpoppen tot sterk, zoals bij de hedendaagse toppers
uit de zwartreeks.
De citroenfactor is algemeen sterker aanwezig bij mannen dan bij
poppen, wat tevens verklaart waarom laatstgenoemde meestal bruiner zijn
en matter van tint. Hij treedt slechts op na de eerste rui (jeugdrui)
en situeert zich hoofdzakelijk in de baardtoppen van de contourveren.
Hierbij moet men weten dat die baardtopjes in tegenstelling tot
kanaries zonder blauwstructuur niet hol (= ledig) zijn, maar vol,
gevuld met een fijn korrelige keratinestructuur (nagelstof). Die, zoals
we verder zullen zien, precies daardoor de eigenschap bekomt om vooral
blauwe lichtstralen uit het lichtspectrum te bevoordelen. Op ongeveer
dezelfde wijze zoals bijvoorbeeld ook de blauwe tint in het heelal tot
stand komt.
Veren ontwikkelen zich uit veerpapillen in de huid en in de groeiende
veren zit net zoals in onze eigen beenderen merg, veermerg, dat in
eerste instantie zorgt voor de voeding van de groeiende veer, maar
tezelfdertijd ook, en dat is voor ons van meer belang, binnenin het
transport verzekert van de verschillende kleurstoffen die er moeten in
worden afgezet.
Eenmaal de veer volgroeid, trekt het veermerg zich terug, alleen nog de
holle omhulsels van de verlaten mergcellen in de veeras en baarden,
achterlatend. Dit wordt ons duidelijker wanneer we de schachten van bvb
een grote kippenveer opensnijden en hetzelfde, maar dan wel veel
duidelijker, te zien krijgen.
Bij kanaries met weinig of geen blauwstructuur zijn de holle
baardtoppen van groeiende contourveertjes met merg gevuld, waardoor de
respectievelijke kleurstoffen, vooral bruine phaeomelanine en vetstof,
er ongehinderd tot in de toppen kunnen doordringen. Bij kanaries echter
met blauwstructuur kan dat dus niet omdat in dit geval de baardtoppen,
zoals reeds aangehaald, over een bepaalde lengte versperd zijn, met
gevolg dat:
1. De bruine phaeomelanine, het
phaeobruin zeg maar, alsook de gele vetstofkleur, die beide in normale
omstandigheden in grootste mate in die baardtoppen voorkomen, van dat
blauwfactorfenomeen de grootste hinder ondervinden en zodoende het
meest worden verzwakt. Een te sterke citroenfactor kan dus op die
manier massa’s phaeobruin uit de bevedering verdrijven en tezelfdertijd
ook de gele grondkleur (vetstofkleur) een aanzienlijk lichtere tint
bezorgen.
2. Door hun afwijkende
structuur zullen die massieve baardtopjes blauwe lichtstralen
“bevoordelen”. Daartoe worden hoofdzakelijk de blauwe stralen van het
invallend licht door de fijnkorrelige structuur opgenomen en er als het
ware versterkt. Waarom nu alleen de blauwe lichtstralen worden
bevoordeeld en bvb niet de rode, komt gewoon door het feit dat de open
ruimtes tussen de keratinekorreltjes in, qua grootte overeenstemmen, in
resonantie zijn met de afmeting van de golflengte van de blauwe
lichtgolven in nanometer (= 10-9 meter). Op zich is dat verschijnsel
echt niet zo bijzonder als het in eerste instantie lijkt te zijn, want
ook bij radio en TV, waarbij men ook te maken heeft met
elektromagnetische golven, doet zich ongeveer hetzelfde voor. Ook daar
moet om uitsluitend één bepaalde zender te kunnen ontvangen, het
toestel ook op die bepaalde golflengte van de zender zijn afgestemd.
Selectiviteit noem men dat.
3. Kanaries met sterke
blauwstructuur vertonen als gevolg van die vele “plastiekachtige”
baardtopjes duidelijk meer glans in hun bevedering, mannen van nature
uit veel meer dan poppen. Waarbij hun tekening een nog zwartere
(optische!) indruk bekomt. Ook al omdat tezelfdertijd het omliggende
ervan, de contouren, omwille het beduidende verlies aan phaeobruin en
vetstof, verbleken.
 Italiaans type Citroenfactor te sterk Optimale citroenfactor Te zware bestreping Tussenliggend te bleek Optimale tussentint Tussentint te bleek Contrast nog té groot Optimaal contrast
De klassieke blauwfactoruiting steunt dus eigenlijk voor een groot deel
op puur optisch gezichtsbedrog, waarvan nog wel eens volledig ten
onrechte werd en nog steeds wordt gedacht dat die “schijnbare”
verdonkering van de tekening een rechtstreeks gevolg zou zijn van
rechtstreekse omzetting van bruine phaeomelanine in zwarte eumelanine.
Wat natuurlijk totaal onmogelijk is, ook al omdat beide melanine
soorten totaal verschillende structuren bezitten en eens gevormd, ze
die ook zo behouden.
Een vergelijkbaar optisch effect doet zich ten andere voor wanneer we
bijvoorbeeld een of ander donker mat voorwerp zouden bedekken met een
fijn laagje mica of plastiek. Ook dat zal bij voldoende lichtinval
optisch verdonkeren en meer gaan blinken!
Bij kanaries met sterke blauwstructuur moet men nu ook niet gaan
veronderstellen dat alle contourveerbaardjes blauwstructuur in hun
topjes bezitten, wat natuurlijk niet zo is en ook niet kan. Want u zult
begrijpen, moest dat het geval zijn, er na de jeugdrui, wanneer de
factor tot uiting komt, er van de gele vetstof en vnl. het phaeobruin
niet veel meer zou overblijven.
Naast eentje met blauwstructuur kan gerust eentje zitten zonder, en
hoeveel dat er dit uiteindelijk zijn, zal ook wel weer van de sterkte
van de factor afhangen.
Zwartgeel intensief.
Samengevat:
MAXIMUM-PIGMENT BIJ TOPGROENE BEKOMT MEN SLECHTS WANNEER DE JUISTE
HOEVEELHEDEN ZWART, BRUIN, GEEL EN BLAUW IN OPTIMALE MATE IN DE VOGEL
VERENIGD ZIJN. HET IS DAARBIJ VOORAL DE COMBINATIE VAN GEEL EN BLAUW
(STRUCTUUR) WAT LOGISCHERWIJZE VOOR DE GROENE TINT ZORGT.
Verder wil ik hier nog eens duidelijk stellen dat, naast een zo zwart
mogelijke bestreping, ook het tussenliggende zo donkergroen mogelijk
moet aandoen, en NIET “helder”, zoals het vooral de laatste tijd in
meerdere Belgische en Nederlandse publicaties voor verwarring zorgt bij
de liefhebbers van vooral groen, brons en blauw.
“Men vraagt geen vetstofvogels, wit, geel of rood met zwarte strepen”,
zoals de Heer F.Vanhauwermeiren, Voorzitter van de Techn. Com.
Kleurkanaries van onze zustervereniging laconiek opmerkte in het Geelse
VvNK-blad van september 2002. Stelling, die ook door onze federatie, de
KBOF, wordt gedeeld en waar ik mij persoonlijk kan in terugvinden.
Ziezo, beste sportvrienden, ik denk hiermee mijn voorafgaande stelling
afdoende te hebben toegelicht en bewezen … en moest U mij, ondanks
alles, toch nog niet geloven, lees dan nog even verder. Er volgt
namelijk nog een veel duidelijker bewijs dat aantoont dat een sterke
citroenfactor bij kanaries uit de zwartreeks zeker niet te veel
phaeobruin aan hun bevedering mag onttrekken. En dit bewijs ligt
eigenlijk zo voor het grijpen … Bekijk nl. eens goed de “Zuiderse”,
vooral dan de Italiaanse groenen. Het eerst wat opvalt is dat hun
bestreping heel donker is en voldoende lang en breed conform de nieuwe
COM-norm, of zelfs nog meer dan dat. Maar … wat tezelfdertijd meestal
nog meer opvalt zijn de veel te lichte, vrijwel ongemelaniseerde,
omzeggens vetstofkleurige contouren, de ruimtes tussen en rond de
bestreping, te wijten aan wat ik al jarenlang vermoed, nl. dat het
merendeel van deze vogels geen raszuivere kanaries zijn, maar eerder
kruisingen met een of andere cini of edelzangersoort, allemaal vogels
zonder enige phaeobruin in hun bevedering.
DNA-vergelijk met dit van de (zuivere) kanarierassen zoals Harzers of
Waterslagers zou dat eventueel kunnen uitwijzen.
Vandaar dan ook, en daarmee wil ik tevens eindigen, waarom ik denk dat
het in de nabije toekomst nog wel eens moeilijker zou kunnen worden dan
men nu nog denkt om via deze vogels aan de nieuwe COM-eisen qua
MAXIMIM-pigment te voldoen. Zelfs een “geslaagd huwelijk” tussen
noordelijke en zuidelijke zwarte is, lijkt mij nog niet voor morgen,
ook al blijft het natuurlijk een grote uitdaging.
MAAR OOIT IS MEN ER IN GESLAAGD OM MET STERK DOORGEDREVEN SELECTIE TOT
HEEL FIJN ONDERBROKEN PIGMENT TE KOMEN. WAAROM ZOU HET DAN NIET
MOGELIJK ZIJN MET ONZE EIGEN GROENE VIA DEZELFDE WEG HET OMGEKEERDE TE
BEREIKEN? HET ZAL ONGETWIJFELD OOK ZIJN TIJD VERGEN, MAAR HET MOET
KUNNEN!
Zwartgeel jong.
Jaques Beliën,
Keurmeester KBOFAlleen geregistreerde gebruikers kunnen reacties geven. Log in of registreer. Powered by AkoComment 2.0! |